Om een idee te krijgen van de tijdsgeest die er honderd jaar geleden heerste in de grafische kunsten in België, hebben de organisatoren van deze tentoonstelling een aantal werken, die ontstaan zijn tussen 1900 en 1940, gekozen uit mijn verzameling. Deze verzameling bestaat integraal uit meer dan twee duizend prenten die dateren van de 17e tot de 20ste eeuw: etsen, droge naald, aquatint, vernis mou , mezzotint, burijn gravures, lithografieën, hout-en linosneden.
Drie kwart van de kunstenaars die de geselecteerde werken gemaakt hebben, zijn op het einde van de 19e eeuw geboren en dit zal een duidelijke invloed hebben op de tijdsgeest in hun actieve periode. Hoewel het realisme en het impressionisme rond 1850 ontstonden, het symbolisme en het neo-impressionisme rond 1880, liepen deze strekkingen door tot de jaren 1920. Het luminisme en het expressionisme begonnen rond 1905 en gingen tot ongeveer 1940. Allerlei strekkingen lopen dus kriskras door elkaar. Daarom is het moeilijk om een éénduidige tijdgeest te bepalen en zal die gekenmerkt zijn door een veelvoud van stromingen.
Het was niet de bedoeling om enkel werken op te nemen van kunstenaars die nu internationaal een zeer grote bekendheid genieten, maar om kunstenaars te tonen die ‘in hun tijd’ zeer geliefd waren en hun tijdsgeest weerspiegelen. Sommige van hen worden vandaag door de klassieke kunstcritici zelfs helemaal niet vermeld, hoewel ze artistiek zeer hoogstaand zijn. Dit is blijkbaar van alle tijden, zo werd James Ensor (die overigens al zijn etsen vóór 1900 maakte) in het eerste kwart van de twintigste eeuw door de critici verguist en geweigerd voor ettelijke tentoonstellingen. Zijn beroemd schilderij “De intrede van Christus in Brussel in 1889” lag gedurende 29 jaar opgerold op zijn zolderkamer tot het uiteindelijk in 1929 voor het eerst werd tentoongesteld.
In de keuze voor de tentoonstelling duikt een hele reeks symbolisten op. Fernand Khnopff (1858-1921) bijvoorbeeld was een internationaal gevierd symbolist. Hij stamt uit een familie van hoge Vlaamse bourgeoisie: zijn vader was magistraat in Oudenaerde. Deels door zijn gegoede afkomst kon hij veel reizen en slaagde hij er in om tot de internationale kunstscene door te dringen, vooral met zijn schilderijen, pastellen en gravures in droge naald techniek. Weinig bekend zijn de illustraties waarvan de originelen vervaardigd zijn met potlood, inkt en pastel en die dan uiteraard gedrukt werden.

Omer Coppens (1864-1926) komt uit de ‘kleine bourgeoisie’ en hoewel hij een goede vriend was van Emile Gallé , de grote promotor van de art nouveau in Nancy, is hij toch internationaal niet zo bekend. Hij werkte zowel impressionistisch, symbolistisch als luministisch.

Henry de Groux (1866-1930), ook een symbolist, is de zoon van de bekende sociaal realistische schilder Charles Degroux en liet zijn familienaam veranderen in ‘de Groux’ om een aristocratische allure aan te meten. Hij was een excentrieke figuur en zeer bekend in de Franse literaire kringen. Daardoor kon hij, wat minder bekend is, ook boeken illustreren.

Henri Meunier (1873-1922) was een volbloed art nouveau artist. Hij was de zoon van de etser Jean Baptiste Meunier en de neef van beeldhouwer Constant Meunier. Zijn lithografische affiches zijn wereldberoemd en in pure art nouveau stijl. De landschappen hebben al impressionistische trekken en zijn zeer sfeervol. Daarvoor gebruikte hij de tweekleuren-ets techniek.

Over Albert van Holsbeek (1887-1948) is weinig gekend, verschillende van zijn etsen werden in de jaarlijkse albums van de “Vereniging van Belgische Etsers” uitgegeven waaronder werken in symbolische art nouveau stijl.

Hetzelfde geldt voor Maurice Langaskens (1884-1946) die, opgeleid door de symbolist Montald, sterk beïnvloed werd door de art nouveau en de Prerafaëllieten. In zijn beginperiode was dit goed te zien maar later werd het werk meer sociaal gericht.

De symbolist Auguste Donnay (1861-1921) kwam uit een familie waar de vader ‘ornamentalist’ was, wat wil zeggen dat hij muren schilderde in namaakmarmer. Auguste deed dit ook en mocht zo de huizen van vader Rassenfosse en vader Berchmans in Luik decoreren. Hij maakte er echte muurschilderingen van in symbolistische stijl en werd bevriend met hun zonen Armand en van Emile.

Armand Rassenfosse (1863-1934) slaagt er in om als klassiek modernist de artistieke erfgenaam te worden van het symbolisme en de art nouveau en wordt bekend in heel Europa. In Parijs ontmoette hij Félicien Rops, zij werden vrienden en Rops leerde hem etsen. Rassenfosse heeft in feit maar één thema: de vrouw. Toch zal hij ergens sociaal geëngageerd worden en oog hebben voor de waalse mijnwerkers, maar dan vooral de vrouwelijke hiercheuses (sintelraapsters) die hij in talloze lithografieën uitbeeldde.

Kurt Peiser (1887-1962) kan men omschrijven als ‘rood, jood en doodgezwegen’. Híj werd in 1887 geboren aan de Vlaamse Kaai in Antwerpen als zoon van een Duits chemicus. Hij is een geëngageerd realist die de marginalen van de havenbuurt, de armen, de hoeren en de havenactiviteiten etst. In feite is hij een communist. Niemand weet hoeveel etsen hij ooit gemaakt heeft, waarschijnlijk meer dan drie honderd. Hij drukte ze zelf niet want hij had thuis geen plaats voor een pers. Er moesten over de honderd exemplaren van elke ets gedrukt worden omdat ze volgens hem goedkoop moesten blijven en voor iedereen toegankelijk. Zijn realisme werd hem kwalijk genomen. Bij een tentoonstelling in Antwerpen werden zelfs werken gerechtelijk weggehaald omdat ze volgens de procureur ‘geen gezicht’ waren. Daarom verhuisde hij in 1922 van Antwerpen naar Brussel en liet hij zich inspireren door de Marollen. Hoewel hij atheïst was gaf hij openlijk toe jood te zijn en ging hij in WO II in het verzet. Peiser is een grootmeester van de menselijke figuur en was in zijn tijd als etser, tekenaar en schilder zelfs internationaal bekend. Hij bewoog zich tussen collega’s zoals Firmin Baes, Jacob Smits, Maurits Langaskens, Dirk Baksteen, Walter Vaes en Jules de Bruycker. Opvallend en onbegrijpelijk is dat hij vandaag door de kunstcritici wordt doodgezwegen. Zo wordt ook zijn tentoonstelling in Brussel in het gekende Kunsthuis Giroux (1929) in de analen niet vermeld! Hij heeft talloze schilderijen gemaakt maar toen er eind jaren 80 aan de Zavel een massaverkoop plaats vond van zijn schilderijen die achtergebleven waren uit zijn atelier, werden ze ‘per kilo’ verkocht.



In tegenstelling tot Kurt Peiser wordt Jules de Bruycker (1870-1945) wél algemeen erkend als één van de belangrijkste etsers van zijn tijd. Hij werd in 1870 in Gent geboren, zijn vader was behanger. Toen die stierf leefde de familie in armoede en Jules de Bruycker voelde zich verbonden met eenvoudige mensen die hij ging tekenen. Toen hij in Gent een expositie van de schilderijen en etsen van Albert Baertsoen zag ging hij ook etsen. Hij etst de mens in al zijn armoede. Prachtige voorbeelden zijn de etsen met rommelmarkten, theaters en typische figuren. De etsen met gebouwen en kerken zijn magistraal en geinspireerd door de werken van Frank Brangwyn. Toen hij in 1914 voor de oorlog vluchtte naar Londen hielp Brangwyn hem aan een uitgever van zijn etsen in England.


Frank Brangwyn (1867-1906) was een in Brugge geboren Brit en een multidisciplinaire artiest die zijn carrière begon in de art nouveau periode door in 1895 voor Siegfried Bing een geveldecoratie te maken voor zijn galerie ‘ L’Art Nouveau’ in Parijs, waar deze strekking haar naam vandaan heeft. De welgestelde familie Brangwyn verhuisde redelijk snel terug naar het Verenigd Koninkrijk maar Frank bleef contact houden met Brugge en maakte veel etsen en houtsneden die de niets ontziende modernisering van België toont met al zijn miserie voor de arbeidersklasse.

Niet alleen Brangwyn heeft de Bruycker beinvloed maar vooral Albert Baertsoen (1866-1922). Baertsoen etste nooit personen maar altijd landschappen en stadsgezichten. Hij was internationaal zeer bekend om zijn wat melancholische impressies van Gent en Luik. Hij past in het ‘ Fin de Siècle’ beeld wanneer hij de troosteloze fabrieksbuurt van Luik, half ondergesneeuwd in groot formaat etst. Met zijn ‘realistisch- impressionistische stijl zet hij zich af tegen zijn tijdgenoten, de art nouveau kunstenaars.


Armand Apol (1879-1950) kwam uit een armoedig gezin maar kon snel goed leven door zijn commercieel succes als artiest. Hij was post-impressionist die vooral landschappen, de haven en schilderachtige stadshoekjes weergeeft. Opmerkelijk is dat hij ook kleurenetsen maakt, iets wat in zijn tijd in de mode geraakt maar niet altijd door de critici geapprecieerd wordt. Hij is ook één van de grafici die zich baseren op schilderijen van Valerius De Sadeleer.

Ook Ramah (1887-1947), een goede vriend van Valerius De Sadeleer deed dit: ze hadden een stamtafel in de herberg van Etikhove. Ramah zou na een impressionistsche periode overgaan naar een constructief kubisme en later naar het expressionisme.

Wie ook etste naar tekeningen van Valerius De Sadeleer was Roger Hebbelinck (1912-1987). Zijn kleurenetsen naar De Sadeleer zijn van goede kwaliteit. Hij had zijn eigen etsdrukatelier.

In dezelfde stijl zijn ook de kleurenetsen van Michel De Goeye (1900-1958). Zowel de werken van Hebbelinck, De Goeye en Ramah (in zijn vroege periode) zijn pogingen om het zogenaamde ‘stedelijke symbolisme’ van De Sadeleer na te bootsen.

Isodoor Opsomer (1878-1967) was een realistisch en postimpressionistisch schilder die in zijn vroege periode vooral de steegjes en huisjes van Lier schilderde en sporadisch etste.Hij is vooral bekend om zijn geschilderde portretten.

Auguste Oleffe (1867-1931) wordt aanzien als de laatste Belgische impressionist en Brabantse fauvist. Als fauvistisch schilder maakte hij af en toe ook kleurenetsen.

Léon Navez (1900-1967) was een vertegenwoordiger van het sociaal realisme en is beinvloed door Gustaaf Van de Woestijne en door zijn leermeester Anto Carte.

Anto Carte (1886-1954) werd opgeleid door de symbolisten Montald en Delville maar stond later sterk onder invloed van De Sadeleer en Van de Woestijne. Hoewel men het werk van Anto Carte moeilijk in een hokje kan steken, kan het enigszins tot het sociaal realisme gerekend worden.

Een andere kunstenaar uit de Latemse school is Albert Servaes (1883-1966). Hij woonde in een houten keet in Sint-Martens-Latem en wordt aanzien als de eerste Belgische expressionist. De litho die gekozen werd toont eerder een impressionistisch beeld en kadert in de vele schilderijen die hij maakte in de jaren 1930 met als thema de zonsondergang. Servaes was zeer Duits gezind en collaboreerde met de Nazi’s. Hij werd veroordeeld en vluchtte naar Zwitserland.

Wie dan weer zeer anti-Duits was, is Jacques Ochs (1883-1971) een expressionistisch portrettist en karikaturist. Hij was jood en flagrant anti-Nazi zodat hij opgesloten werd in Breendonk maar er overleefde. Zijn portretten zijn expressionistisch.

Floris Jespers (1889-1965) was schilder, graficus, beeldhouwer en gedurende vijftien jaar cellist. Hij werkte aanvankelijk impressionistisch (onder invloed van Rik Wouters), vervolgens kubistisch en uiteindelijk expressionistisch. Hij is de neef van de beeldhouwer Oscar Jespers.

Pierre Paulus (1881-1959) kwam uit een artistieke familie in Chatelet en werd opgeleid aan de Koninklijke Academie voor Schone kunsten in Brussel door de symbolist Constant Montald en de beeldhouwer Charles Van der Stappen. Hij raakte geïnspireerd door de mijnstreek en het zware leven in het industriegebied rond Charleroi, wat hij op een expressionistische manier weergaf in zijn schilderijen en gravures. Hij werd later tot baron “verheven”.

Jean Dols (1909-1993) is een buitenbeentje. Hij maakte tussen 1934 en 1950 gravures die een sociale en sarcastische boventoon voeren. Ze worden soms vergeleken met Ensor.

Eduard Pellens (1872-1947) wordt wel eens ‘de vader van de Belgische 20e-eeuwse houtgraveurs’ genoemd omdat hij de houtsnijkunst deed heropleven. Typisch voor hem zijn tweekleuren houtsneden in zijn traditionele realistische stijl.


Twee grootmeesters van het Vlaamse expressionisme Gustaaf De Smet (1877-1943) en Frits Vanden Berghe (1883-1939) hebben ook houtsneden gemaakt en als het ware het expressionisme in de houtsnijkunst ingeluid.



Edgard Tytgat (1879-1957) is mee verantwoordelijk voor de finale doorbraak van het expressionisme in de grafiek. Zijn houtsneden zijn speels en van een volkse naïviteit.



Een echte heropstanding van de houtsnijkunst brachten de ‘Vijf’: Frans Masereel, Jan Frans en Jozef Cantré, Joris Minne en Henri Van Straten. Frans Masereel (1889-1972) was een autodidact die in Genève werkte en is altijd in het buitenland blijven wonen. Internationaal is hij zeker de bekendste.

De vijf was geen hechte groep, ze kenden elkaar nauwelijks persoonlijk. Ze gaven gezamenlijk hun medewerking als illustratoren aan het tijdschrift ‘Lumière’ rond 1920. Joris Minne (1897-1972), ambtenaar bij de Antwerpse Commissie van Openbare Onderstand, was ook autodidact en werd vooral bekend door zijn deelname aan de tentoonstellingen die georganiseerd werden in binnen en buitenland door Lumière. Zijn houtsneden en lino’s zijn zuiver expressionistisch.


Jozef Cantré (1890-1957) is in de eerste plaats beeldhouwer en hij gebruikte zijn houtsneden voornamelijk als illustraties. Hoewel van Gent afkomstig, werkte hij vooral in Nederland.



Jan Frans Cantré (1886-1936), broer van Jozef, bleef in Gent. Zijn werk kan in twee periodes ingedeeld worden. Rond 1910-21 maakte hij prachtige expressionistische houtsneden terwijl in de latere fase vooral artisanale figuren meesterlijk uitgebeeld zijn.



Henri Van Straten (1892-1944) en Joris Minne waren de enige Antwerpenaars in de Lumière groep. Van Straten, een zeer begaafd hout- en linosnijder, was oorspronkelijk leerling van Eduard Pellens en tijdens zijn periode als uitgeweken soldaat ging hij bij J.J. Aarts in Amsterdam studeren. Zijn eerste werken zijn uitgesproken expressionistisch, later ontwikkelde hij een eigen stijl.





In dezelfde stijl zijn de werken van Desiré Acket (1905-1987) en zijn echtgenote Nelly Degouy (1910-1979). Beiden zijn eveneens leerlingen van Eduard Pellens. Ze waren vooral als illustratoren actief.



Nog een leerling van Eduard Pellens was Jos Hendrickx (1906-1971). Hij was vrij geïsoleerd in de Vlaamse houtsnijkunst omdat hij niet expressionistisch werkte. Hij werd een ‘grafisch asceet’ genoemd, niet alleen omdat hij als mens een asceet was maar vooral omdat zijn werk nooit pittoresk, nooit behaaglijk is. Hij creëerde aanvankelijk wat hij zag maar later ging hij naar het abstracte neigen.

Maurice Brocas (1892-1948) was autodidact en eerder houtgraveur dan houtsnijder. Hij stond bekend om zijn zeer fijne geraffineerde houtgravures met een compleet eigen stijl.

Wim Flameng
Bonus
De werken van deze twee kunstenaars vallen net buiten de periode 1900-1940 maar omwille van hun sterke inhoud en artistieke kracht willen de curatoren ze toch behouden voor de tentoonstelling.
Antoon Herckenrath (1907-1977)

Elza Severin (1913-1988)
