Collectie Wim Flameng

Mijn verzameling bestaat uit meer dan  tweeduizend  prenten die dateren van de 17e eeuw tot heden: etsen, droge naald, aquatint, vernis mou, mezzotint, burijngravures, lithografieën, hout – en linosneden.

De organisatoren van de tentoonstelling hebben een selectie gemaakt van werken die ontstaan zijn tussen 1900 en 1940. Drie kwart van de kunstenaars die deze werken gemaakt hebben zijn op het einde van de 19e eeuw geboren, terwijl het realisme, symbolisme, impressionisme, luminisme en neo-impressionisme juist in die tijds panne ontstaan zijn. Ze worden pas in de jaren 1920-25 gevolgd door de art deco periode. Daarom zal het moeilijk worden om een éénduidige tijdgeest te bepalen en zal die gekenmerkt zijn door een veelvoud van strekkingen.

Het was niet de bedoeling om enkel werken op te nemen van kunstenaars die nu internationaal een zeer grote bekendheid genieten, maar om kunstenaars te tonen die  ‘in hun tijd’  zeer geliefd waren. Sommige van hen worden vandaag door de klassieke kunstcritici zelfs helemaal niet vermeld, hoewel ze artistiek zeer hoogstaand zijn.

Grafische kunstenaars

Klik hier voor afbeeldingen van het werk van deze kunstenaars.

Kurt Peiser was één van hen en men kan hem omschrijven als ‘rood, jood en doodgezwegen’. Híj werd in 1887 geboren aan de Vlaamse Kaai in Antwerpen als zoon van een Duits chemicus. Hij is een geëngageerd realist die de marginalen van de havenbuurt, de armen, de hoeren en de havenactiviteiten etst. In feite is hij een communist. Niemand weet hoeveel etsen hij ooit gemaakt heeft, waarschijnlijk meer dan driehonderd. Hij drukte  ze niet zelf want hij had thuis geen plaats voor een pers. Er moesten over de honderd exemplaren van elke ets gedrukt worden omdat ze volgens hem goedkoop moesten blijven en voor iedereen toegankelijk. Zijn realisme werd hem kwalijk genomen. Bij een tentoonstelling in Antwerpen werden zelfs werken gerechtelijk weggehaald omdat ze volgens de procureur ‘geen gezicht’ waren. Daarom verhuisde hij in 1922 van Antwerpen naar Brussel en liet hij zich inspireren door de Marollen. Hoewel hij atheïst was gaf hij openlijk  toe jood te zijn en ging hij in tweede wereldoorlog in het verzet. Peiser is een grootmeester van de menselijke figuur en was in zijn tijd als etser, tekenaar en schilder zelfs internationaal bekend. Hij bewoog zich tussen collega’s zoals Firmin Baes, Jacob Smits, Maurits Langaskens, Dirk Baksteen, Walter Vaes en Jules de Bruycker. Opvallend en onbegrijpelijk is dat hij vandaag door de kunstcritici wordt doodgezwegen. Zo wordt ook zijn tentoonstelling in Brussel  in het gekende Kunsthuis Giroux in de analen niet vermeld! Hij heeft talloze schilderijen gemaakt maar toen er eind jaren tachtig aan de Zavel een massaverkoop plaats vond van zijn schilderijen die achtergebleven waren uit zijn atelier, werden ze ‘per kilo’ verkocht.

In tegenstelling tot Kurt Peiser wordt Jules de Bruycker wél algemeen erkend als één van de belangrijkste etsers van zijn tijd. Hij werd in 1870 in Gent geboren, zijn vader was behanger. Toen die stierf leefde de familie in armoede en Jules de Bruycker voelde zich verbonden met eenvoudige mensen, die hij ging tekenen. Toen hij in Gent een expositie van de schilderijen en etsen van Albert Baertsoen zag ging hij ook etsen. Hij etst de mens in al zijn armoede. Prachtige voorbeelden zijn de etsen met rommelmarkten, theaters en typische figuren. De etsen met gebouwen en kerken zijn magistraal en geïnspireerd door de werken van Frank Brangwyn. Toen hij in 1914 voor de oorlog vluchtte naar Londen hielp Brangwyn hem aan een uitgever van zijn etsen in England.        

Frank Brangwyn was een in Brugge geboren Brit en een multidisciplinaire artiest die zijn carrière begon in de art nouveau periode door in 1895 voor Siegfried Bing een geveldecoratie te maken voor zijn galerie ‘ l’Art Nouveau’ in Parijs. De welgestelde familie Brangwyn verhuisde redelijk snel terug naar het Verenigd Koninkrijk maar Frank bleef contact houden met Brugge en maakte veel etsen en houtsneden die de niets ontziende modernisering van België toont met al zijn miserie voor de arbeidersklasse. 

Niet alleen Brangwyn heeft de Bruycker beïnvloed maar vooral Albert Baertsoen. Baertsoen etste nooit personen maar altijd landschappen en stadsgezichten. Hij was internationaal zeer bekend om zijn wat melancholische impressies van Gent en Luik. Hij past in het ‘ Fin de Siècle’ beeld wanneer hij de troosteloze fabrieksbuurt van Luik, half ondergesneeuwd, in groot formaat etst. Met zijn eigen stijl zet hij zich af tegen zijn tijdgenoten, de art nouveau kunstenaars.

In de keuze voor de tentoonstelling duikt een hele reeks symbolisten op. Fernand Khnopff bijvoorbeeld was een internationaal gevierd symbolist. Hij stamt uit een familie van hoge Vlaamse bourgeoisie: zijn vader was magistraat in Oudenaarde. Omer Coppens die zowel impressionistisch, symbolistisch als luministisch werkte, komt uit de ‘kleine ’bourgeoisie.  Hij werd een goede vriend van Emile Gallé , de promotor van de art nouveau in Nancy. Henry de Groux , ook een symbolist, is de zoon van de bekende sociaal realistische schilder Charles Degroux en liet zijn familienaam veranderen in ‘de Groux’ om een aristocratische allure aan te meten.

Henri Meunier was een volbloed art nouveau artist. Hij was de zoon van de etser Jean Baptiste Meunier en de neef van beeldhouwer Constant Meunier. Zijn lithografische affiches zijn wereldberoemd en in pure art nouveau stijl. De landschappen hebben al impressionistische trekken en zijn zeer sfeervol. Daarvoor gebruikte hij de tweekleuren ets.

Hetzelfde geldt voor Maurice Langaskens die, opgeleid door de symbolist Montald, sterk beïnvloed werd door de art nouveau en de prerafaëlieten. In zijn beginperiode was dit sterk te zien maar later werd het werk meer sociaal gericht.

 De symbolist Auguste Donnay kwam uit een familie waar de vader ‘ornamentalist’ was, wat wil zeggen dat hij muren schilderde in namaak marmer. Auguste deed dit ook en mocht zo de huizen van vader Rassenfosse en vader Berchmans in Luik decoreren. Zo werd hij bevriend met  hun zonen respectievelijk Armand en van Emile. Hij maakte er echte muurschilderingen van in symbolistische stijl.   Armand Rassenfosse slaagt er in om als klassiek modernist de artistieke erfgenaam te worden van het symbolisme en de art nouveau en wordt bekend in heel Europa. In Parijs ontmoette hij Félicien Rops, zij werden vrienden en Rops leerde hem etsen. Rassenfosse heeft in feit maar één  thema: de vrouw. Toch zal hij ergens sociaal geëngageerd worden en oog hebben voor de Waalse mijnwerkers, maar dan vooral de vrouwelijke hiercheuses (sintelraapsters) die hij in talloze lithografieën uitbeeldde.

Armand Apol kwam uit een armoedig gezin, maar kon snel goed leven door zijn commercieel succes als artiest. Hij was postimpressionist die vooral landschappen, de haven en schilderachtige stadshoekjes weergeeft. Opmerkelijk is dat hij ook kleurenetsen maakt, iets wat in zijn tijd in de mode geraakt maar niet altijd door de critici geapprecieerd wordt. Hij is ook één van de grafici die zich baseren op schilderijen van Valerius De Saedeleer. Ook Ramah, een goede vriend van Valerius De Saedeleer deed dit : ze hadden een stamtafel in de herberg van Etikhove. Ramah zou na een impressionistische periode overgaan naar een constructief kubisme en later naar het expressionisme. Wie ook etste naar tekeningen van Valerius De Saedeleer was Roger Hebbelinck. Zijn kleurenetsen naar De Saedeleer zijn van goede kwaliteit. Hij had zijn eigen etsdrukatelier. In dezelfde stijl zijn ook de kleurenetsen van Michel De Goeye. Zowel de werken van Hebbelinck, De Goeye en Ramah in zijn vroege periode, zijn pogingen om het zogenaamde ‘stedelijke symbolisme’ van De Saedeleer na te bootsen.

Auguste Oleffe wordt aanzien als de laatste Belgische impressionist en Brabantse fauvist. Als fauvistisch schilder maakte hij af en toe ook kleurenetsen.

Léon Navez was een vertegenwoordiger van het sociaal realisme en is beïnvloed door Gustaaf Van de Woestijne en door zijn leermeester Anto Carte. Het is eigenlijk zo dat Anto Carte, die opgeleid werd door de symbolisten Montald en Delville, sterk onder invloed stond van De Sadeleer en Van de Woestijne. Hoewel het werk van Anto Carte moeilijk in een hokje kan gestoken worden kan het tot het sociaal realisme gerekend worden.

Een andere kunstenaar uit de Latemse school is Albert Servaes. Hij woonde in een houten keet in Sint-Martens-Latem en wordt aanzien als de eerste Belgische expressionist. De litho die gekozen werd toont eerder een impressionistisch beeld en kadert in de vele schilderijen die hij maakte in de jaren 1930 met als thema de zonsondergang. Servaes was zeer Duitsgezind en collaboreerde met de Nazi’s. Hij werd veroordeeld en vluchtte naar Zwitserland. Wie dan weer zeer anti-Duits was, is Jacques Ochs een expressionistisch portrettist en karikaturist. Hij was jood en flagrant anti-Nazi zodat hij opgesloten werd in Breendonk maar er overleefde. Zijn portretten zijn expressionistisch.

Floris Jespers was schilder, graficus, beeldhouwer en gedurende 15 jaar cellist. Hij  werkte aanvankelijk impressionistisch (onder invloed van Rik Wouters), vervolgens  kubistisch en uiteindelijk expressionistisch. Hij is de neef van de beeldhouwer Oscar Jespers.

Jean Dols is een buitenbeentje. Hij maakte tussen 1934 en 1950 gravures die een sociale en sarcastische boventoon voeren. Ze worden soms vergeleken met Ensor.